Al vele jaren wordt gesproken en geschreven over modernisering van de medische (vervolg)opleidingen. De feitelijke veranderingen blijven daarbij echter achter. Dat heeft te maken met één van de karakteristieken van het medisch handelen: zijn interne focus.
De gezondheid van een mens is zo kostbaar, het belang van het leven zo sterk, dat de opleiding tot medisch handelen haast onvermijdelijk een zekere interne gerichtheid heeft. Artsen ervaren een dermate grote persoonlijke verantwoordelijkheid voor het welzijn van die ene persoon (patiënt, student) die aan hen is toevertrouwd dat ze het in de regel lastig vinden die verantwoordelijkheid over te dragen of te delen. En dat heeft ontegenzeggelijk veel sterke punten. Zo worden in de beslotenheid van een meester-gezelverhouding nieuwkomers geïnformeerd, ondersteund en nauwlettend gevolgd.
Maar waarom dan toch de roep om daadkracht in de modernisering van de medische opleidingen?
Omdat het huidige systeem de leerling onvoldoende leert om in een complexe omgeving samen te werken, omdat de arts van straks momenteel te weinig leert over het belang van effectieve communicatie met collega’s en patiënten. Kortom, omdat het meester-gezelprincipe sec, zonder aanvulling en onderwijskundige inbedding, niet meer past in de context waarin de toekomstige medici gaan functioneren. Dat werkveld wordt immers gekenmerkt door mondige patiënten en multimorbiditeit die vraagt om interdisciplinaire aanpak, waarin marktwerking, deeltijdwerk en optimale afstemming steeds invloedrijker zullen zijn. Alleen aan het lichaam kunnen werken is dan domweg niet genoeg.
Het opleidingssysteem blijkt echter redelijk immuun te zijn voor veranderingen, juist vanwege de krachtige en persoonlijke
verhoudingen tussen opleider en opgeleiden, en tussen opgeleiden en opleidingsinstituten. Het is een paradoxale situatie, waarin de sterke, persoonlijk gevoelde verantwoordelijkheid van individuele opleiders vertragend zou kunnen werken voor een door de maatschappij gewenste verandering. Daarnaast is in het huidige systeem van
leren direct gekoppeld aan de bedrijfsvoering in de kliniek en daarmee heeft opleiden dus ook een bedrijfseconomisch belang. Geen wonder dat het traject van modernisering er een is van twee stappen voorwaarts, één terug en weer struikelend verder gaan.
Het nieuwe moderniseringstraject, Vaart in de Innovatie van de medische Vervolg Opleidingen (kortweg InVIVO), waaraan vier jaar is gewerkt, is veel meer dan een stap voorwaarts. Het is een doorbraak in een lastige en taaie materie. Op een handige manier is gewerkt langs twee lijnen: enerzijds het introduceren van instrumenten die kunnen bijdragen aan verdieping van het leerproces, aan reflexie en transparantie, anderzijds het faciliteren van een “community of practice”, bestaande uit betrokkenen die intensief samenwerken en oplossingen zoeken voor problemen die in het veranderingsproces ontstaan. Vanuit de actieve en innovatieve regionale kernteams ontstond bijvoorbeeld een onderwijskundigennetwerk. Innovatie is doorgaans geen zaak van een masterplan dat wordt uitgerold. In de betrokken teams van klinische opleiders, onderwijskundigen, onderzoekers en veranderaars is dan ook gekozen voor een open werkwijze, waarin voldoende ruimte was voor verschil en voor productieve spanning.
De instrumenten zijn uitgeprobeerd en bediscussieerd. Uitgaande van de CANMEDs-domeinen en de daarvan afgeleide eindtermen worden opleidingen inzichtelijk en door de instrumenten toetsbaar, zowel op het niveau van de op te leiden personen als van de opleiders en de opleidingsinstituten. Dat is winst. Het meester-gezelprincipe dat de specialistenopleidingen kenmerkt, is daarmee aangevuld en ingebed in een structuur die de opleiding van de arts van straks beter past.
Tegelijkertijd roept de rapportage ook vragen op: wat is nou precies de definitie van succes aangaande modernisering?
Wat levert het op in termen van kennis, gedragsverandering, zorghandelingen en gepercipieerde kwaliteit van zorg? Waar ligt het optimum in de scheiding van opleiding en productie? Hoe borgen we toetsing van bekwaamheid op een betrouwbare wijze, zodat het opmerkelijke verschijnsel dat elke opleider zelf ook weer opnieuw wil testen, kan worden verlaten?
En, er is natuurlijk de vraag: is er voldoende zekerheid dat de opleidingen en de opleidingsinstituten nu uit eigen kracht deze benadering – waarin de AIOS centraal staan – doorzetten? Een vervolgtraject is absoluut noodzakelijk, zowel in termen van opschaling als in termen van verdieping. We zijn immers pas aan het begin van een complex en boeiend traject.
Dit project is niet alleen een stap voorwaarts, het is een “stepping stone” voor iedereen die de opleiding tot medisch specialist aan het hart gaat en daar de komende jaren concrete vooruitgang wil boeken.
Het CBOG is er trots op dat het het project in de afgelopen jaren heeft mogen ‘huizen’. Op donderdag 24 juni is er de slotconferentie onder de veelzeggende titel “Maandag aan de slag”.
Een moment van bezinning en uitwisseling. Ook een moment om met elkaar afspraken te maken over de toekomst? Daarover zal ik berichten in het eerstkomend blog!
Margo Brouns
Voorzitter CBOG
23 juni 2010